Home » Vanderhenst » Widdet nog » Widdet nog – beroepen

Widdet nog – beroepen

bron : “Widde’t nog van toen” van René Vanderhenst

Natuurlijk waren er naast voornoemde handelaars nog Peltenaren die een zelfstandig beroep uitoefenden en je moet er niet aan twijfelen: de stielmannen van vroeger moesten, ondanks hun minderwaardig gereedschap, niet onderdoen voor de moderne vaklui.
Aannemer Zjang Eyssen bouwde huizen die nu reeds de tand des tijds getrotseerd hebben, Helleke Tuwis en Miel Vanduynhoven zoolden en lapten de schoenen met vaardigheid en kunde. Toon Franssen en Vanmolleke vervaardigden klompen, volledig handwerk alstublieft! Frenske Vanboalen en Charelke Vanmol verkochten en herstelden ook fietsen met kennis van zaken. Thieu Krummers in de Riejt was een specialist karrenmaker, hij had zelf een “nuts” die de boeren konden huren om hun gevelde bomen te “nutsen.” Den Hoebot op de Astridlaan was onmisbaar als haammaker. Helmuske Sleurs en Willeke Driessen bakten mik, roggebrood, taarten en theekoeken, peperkoeken en harten met Nieuwjaar en speculatie met Sinterklaas.

Pelt brouwershuis

Pelt brouwershuis

Er waren ook “reizende handelaars” in navolging van onze vroegere Teuten. Nonkel Pol, de jongste broer van mijn vader, woonde achter op het dorp. Hij handelde in eieren en boter en reisde er mee naar Antwerpen om de rijke stadslui te bevoorraden. Bessem Ties verkocht berken bezems van deur tot deur. Zelfs Narrus Vanloon aan de wal in ’t Hasselt was zo’n Teut in het klein. Hij verkocht “waaspoeper en konteketskes” in het ABN waspoeder en klompetetskens.

Een door de bevolking zeer gewaardeerd beroep was brouwer. Het werd beoefend door Fons Kerkhofs, wonende in het huidige Brouwershuis. Daarnaast lag de brouwerij met de hoge schouw. Fons brouwde het lichte en donkere tafelbier en liet zijn bierwagen door de Pelter straten rijden. Zo ’n biertje, fris uit de kelder, was een heerlijke lafenis voor jong en oud.

Vooraan op de “lange kiezel”, nu de Leopoldlaan, bonkte de zware moker van Jef Croonen en bij ons, in onze buurt, smeedde Fons Kenis, Fons de smeed, het ijzer. De laatste jaren bracht de TV ons beelden van pas ontdekte volksstammen uit de oerwouden en tekens bekleedde de “stamsmid” daar een voorname rol. Hem werden bovennatuurlijke krachten en leiderseigenschappen toegeschreven. Je zal dat beter begrijpen als je de smeed in zijn smis gekend zou hebben in mijn jeugd. Je moet het je voorstellen: de half donkere smis, de gloed van het smisvuur onder de open schouw, het gesis van het withete ijzer in de koelbak, daarvoor de reuze gestalten van de smeed en zijn forse helper, Herrie. Het was een echt schouwspel van Dante. Met grote ijzeren tangen werd het gloeiende werkstuk uit het vuur getrokken en met mokers gesmeed op het zware aambeeld. Iedere slag deed een regen van gloeiende vonken uiteen spatten. Gezeten op de bovenste balk van de hoefstal keken we ademloos toe. Herrie, de knecht, was doof maar hij en de smeed verstonden elkaar met een gebaar. Bij voorjaars- en zomertijd werd er vroeg in de morgen en laat in de namiddag gewerkt. Boerezonen en knechten hadden het overdag te druk op de akkers, maar eens de winter in aantocht werd het overdag druk in de smis. Iedereen kreeg tijd genoeg; het alaam moest hersteld worden en … in de warme smis werden de laatste nieuwsjes verteld, de dorpsschandaaltjes gefluisterd, de laatste vernieuwingen be¬sproken. Onnodig te zeggen dat Fons de smeed “voorzanger” was in dat mannenkoor en bij ieder nieuw mopke klonk zijn sissend pret lachje. Als hij zijn pak “zwoare Kroontabak” uit de rek bij de binnendeur nam, een flinke siek achter de kiezen stopte, wisten de klanten dat er weer een straf verhaaltje zou volgen.
Ha, die grove tabak van de smeed! Zijn oudste zoon Zjef en ik durfden wel eens van een onbewaakt ogenblik gebruik maken om ferme greep van dat nicotinekruid te verduisteren en … ‘k weet ons nog zitten in het gras op een eenzame veldweg al paffend aan een dikke sigaret van zware Kroon in krantenpapier. Je voelde dat in je kop en je buik maar … wij rookten als stoere kerels.

Er zijn geen echte paarden meer in Pelt! Die er nog rondlopen, zijn luxe dieren en de traktoren zijn “in” bij de boeren. In onze tijd waren ze er wel, de zware trekpaarden en… er waren er vele. In onze buurt alleen al tel ik: de voskleurige ruin Voesj van onze Zjang, de kitsige bruine Zjulie’ van Joan van Goverten, de geweldige grijze en de lichtbruine van Zjef van Jandoor Hendriks, de vos met lichte manen en staart van Thijs Lemmens, de donkere van Monneke Bloemen, het licht loperke voor de broodkar van bakkerke Sleurs. Er waren echt vele zware paarden bij alle boeren in elk gehucht.
Je begrijpt dat er voor zo’n bende paarden een hoefsmid nodig was. De daling van het aantal trekpaarden heeft het beroep “hoefsmid” overbodig gemaakt. Ja! Er zijn er nog een paar voor de dieren van leger en rijkswacht, maar vroeger beheerste elke smid, die naam waardig, het “paardenbeslaan”.
Fons, onze smid, was een kraan in dat vak. Voor zijn smis was er een pleintje, ons knikker- en vergaderplaatsje. Als de boerezoon zijn zware klepper dat pleintje opbracht, wisten wij bengels het al. Onze Voesj liet zich zonder kuren, achterwaarts de hoefstal inleiden, maar Zjulie van Joan en nog andere kleppers kregen daar den duvel in’t lijf.
Ze draaiden met hun ogen, steigerden en begonnen aan een helse rondedans. De smeed, zijn lederen voorschoot voor, kwam aan de poort staan, speekte eens en… één greep vlak op de muil van het woeste dier, een stevig frans schietgebedje “Nom de…” en zie, Zjulie liet zich gewillig in de hoefstal duwen! De vier hoefijzers werden aangepast, hersmeed, genageld, bijgevijld en … klaar was Kees! Zo’n hoefnagel was voor ons een geweldig bezit. Als je hem in de Heggestraat op de rails legde en de trein reed erover, dan had je een echt fraai juweeltje.
Vele uren hebben Zjef, mijn buurtmakkers en ik gespeeld in en rond de smis. Ik zie nog voor mij aan de achtergevel, het hespenhokje, een prachtige schuilplaats bij het “klotsen en piepke-bergen”. Maar, als de ijzeren deurtjes gesloten waren, werden daar de hespen in de rook van smeulend zagemeel gerookt. De heerlijke geur van die hammen joeg ons ’t water in de mond.
Als eens mijn tijd zal komen, hoop ik daarboven langs de hemelse smis van Sint Elooi te passeren. Heel zeker zwaait daar onze smeed de moker: ik zie er “half Pelt” terug!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: