Home » Vanderhenst » Widdet nog » Widdet nog – winkelen in de buurt

Widdet nog – winkelen in de buurt

bron : “Widde’t nog van toen” van René Vanderhenst

Je moet nu niet gaan denken dat er in Pelt geen andere dan snoepwinkeltjes waren! Integendeel! Grootwarenhuizen waren weliswaar een onbekend iets, maar iedere straat telde meerdere “winkels”. Ik wil u een droge opsomming besparen, maar zal er de voornaamste zaken uit onze buurt uitpikken.
Op de hoek van de Bemvaartstraat, juist tegenover het standbeeld, woonde Zjangske Rechters, handelaar in wijnen, sigaren en sterke drank. Zoals bij de wet voorzien, kreeg hij regelmatig bezoek van de “heren accijnzen”. Merkwaardig was dat die heren niet in de winkel, maar wel in de woonkamer hun ambt uitoefenden en veel roder van kleur en onvaster te been waren bij hun vertrek dan bij hun aankomst. Onze volwassen tijdgenoten waren eenvoudige mensen, maar toch verre van dom. Zo gebeurde het wel eens dat manlief in de winter op de dag van de “konzuum” bij Zjangske een aarden stoopke Oude Klare kocht. Bij zijn thuiskomst zei hij dan met een uitgestreken gezicht: “Vrouwke, ich hem oech mer e kruukske meigebroacht vur in ’t bed! ’t Moet mer ies gedoan zien me die kaaw vuut van oech!” Ja, zo werd het aangename aan ’t nuttige gekoppeld!

Achter op ’t dorp, tegenover bakker Willeke Driesen, verkochten de gezusters Beerten, Betje en Mrieja, lakens, zakdoeken en ondergoed. Niet alleen de vrouwen konden daar terecht, ook iedere kerel die een nieuwe klak of een zondagse hoed moest kopen, vond daar zijn gading. Kwestie “kleding” hadden de gezusters al een vooruitstrevende blik. Volgende mopje -door de ouderen al grinnikend achter de hand verteld-bewijst dat. Thieu X, lid van de burgerij, sloop op een heel stil moment de winkel binnen en vroeg met een bloedrode kop: “Mrieja, kunde mich aon ne beha vur de vrouw hellepe ?” “Zeker, Mathieu, welleke moat?” “Moat, moat, dé wietich oech nie!”, hakkelde de klant. “Kunde ze in aow klak Mathieu?” “Nieje, Mrieja, wa dinkde gè wel!” Mrieja, dienstvaardig als steeds, zette haar poging onverstoord verder. “Zouwe twieje ganzeëier groewet genoeg zien ?” “Joa -zei Thieu-, dé git wel, mer duut ze daan nog urst in de pan.”

Op het marktplein, naast café “de Swaen”, lag de winkel van Martha Vangaal, een grote, drukbeklante zaak voor die tijd. De rekken waren altijd goed gevuld en moeder de vrouw vond er letterlijk alles voor de keuken: van zure azijn tot zoete suiker. De witte bloem, om een lekkere mik te bakken, kwam van ’t huis Vangaal en ook de gist, onmisbaar bij ’t bakken, kwam van daar. Iedereen bakte zijn broden en mikken immers zelf, ook zijn appel- en perevlaaien. Overal zag je “mutterdmiejten” en als kind heb ik zo dikwijls de oven in ’t “bakhuiske” heetgestookt met mutterd. In ’t najaar werden dan “na de bak” de Triechter peren en de Bergamotten in de nog warme oven gekieperd om te drogen en … oh, die heerlijke vlaai met spijs van “gebakken muis!” Bij Martha kocht je ook een fles bloedwijn -Zuster Godelieve- om aan te sterken of een fles Hertekamp als slaapmutsje. Je ziet, die winkel was de voorloper van de moderne supermarkten.

“Geen oog heeft gezien…”, zo beschrijft de bijbel ergens de hemel. Wel, zoiets was dan voor ons de speelgoedwinkel van Georges en Mrieja van de “Koperetief’, vlak tegenover het oude gemeentehuis. Die zaak werd immers door de grote kindervriend, Sinterklaas, uitverkoren om ons te helpen bij het bestellen van alle geschenken. Twee weken lang stelde hij daar zijn gaven ten toon. Sprakeloos en vol verlangen keken we naar al die heerlijkheden: geweren, blokkendozen, paardjes en poppen, knikkers en pennedozen, zelfs echte voetballen. Thuis gekomen schreven we dan onze bestellingen op. Helaas! Meestal bleef het daarna toch weer bij hoop en verwachting.

Naast de koperetief lag een door de inwoners druk bezochte zaak: bij Henri Vlin, ijzerwaren. Alles wat ook maar iets met metaal te maken had, was er te koop: van koekepan tot pinnekesdraad. Het was feitelijk toen al een soort grootwarenhuis met zelfbediening. De grote winkel gaf nogal een rommelige indruk. De koper had wel eens een vermoeden van door de rad ter taal zijnde Henri voor een frankske of twee opgelicht te zijn, maar iedereen kocht er, zelfs wij, bengels, besteedden er onze zuurverdiende centjes aan haakjes en dobbers voor onze primitieve vislijner

Pelt huis Van Hoof

Op de Schuttersboom bij Wullem Vanhoof stond de deurbel in de grote stoffenwinkel praktisch nooit stil. De vrouwen hadden er de keuze uit de vele koeponnekes stof voor rokken en kleedjes, de mannen voor een nieuw kostuum. De “maat” werd genomen boven in een klein kamerke naast het atelier; je moest een paar keren gaan passen en dan kwam je er buiten, van top tot teen in het nieuw. Wullem zelf en zijn trouwe helper Frans bezochten de klanten ten huize; in grote pakken voor op de fietsstoel zaten stoffen en stalen genoeg om een keuze te maken. Naast het huis was er een poortje dat toegang gaf tot een wegske naar de achterdeur.

Juist voordat poortje legden mijn vriend Zjef en ik ons mooie pakje met als inhoud een oude koeievlaai. In ons mooiste schrift schreven wij er op: ” Willem Vanhoof, Overpelt.” Het pakje, door ons in het oog gehouden van achter de haag van dokter Vlin, lag daar zo rustig; het wekte de indruk zo maar gevallen te zijn bij het indraaien. Het moest natuurlijk lukken maar de gelukkige vinder was onze kapelaan. De eerlijke man aarzelde geen ogenblik maar bezorgde Wullem het pakje. Deze rook onmiddellijk onraad, opende het papier, werd nog roder dan onze priester en hakkelde op z’n Lommels: “Da hemme die verkens ut de strat wer gedan. Ik zal ze… Kaplaan, drink ‘ne borrel en pak een sigarreke veur de moeite.” ’s Anderendaags diende ik op voorbeeldige wijze de mis van onze streng en argwanend kijkende kapelaan.
Er waren nog vele kleine winkeliers met kruidenierswaren, brood, zuivelprodukten enz…. maar één van die winkeltjes zie ik nog voor me alsof ik er pas geweest ben: het winkeltje van Zjang en Mrie Stokbroeks daar vooraan op de Perskerkhof, achter de speelplaats van de Vakschool.
Zjang was geen Peltenaar van afkomst; hij was een nors manneke, geen kindervriend. Mrie was een stevig, grof gebouwd, vrouwmens. Hun kinderen heb ik nooit gezien. “Den urk hit ze allemoal nor het kluster gejagd.”,zei men in Pelt. Als we op onze dagelijkse tocht naar de Perskerkhof trokken op zoek naar “eitussen” of vogelnesten, loerden we met een scheef oog naar de voordeur van zijn huisje; we hadden het niet zo op die man begrepen. Maar ’t weze gezegd, zijn handeltje marcheerde. Het kleine winkeltje stak eivol: kruidenierswaren, brood, snoep, er hingen zelfs een paar stokvissen aan het plafond. Ik zie nog aan de Zijgevel, boven het venster, het grote reklaamblad met “TOMATES CIRIO” hangen en ik herinner me nog de dag, een paar jaren later, toen Zjef en ik, denkelijk onder invloed van Flor Grammens, niet alleen alle “danger de morts” op de palen der elektrische hoogspanning achter de Heuf, maar ook die Franse TOMATES van Stokbroeks onder een flink laagje zwarte pek zetten. Ja! Het was een daad van puur Flamingantisme.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: